• Rondetafel
  • Tekst: Rutger Vahl
  • Beeld: VRBLD, Erik van der Burgt

Wetenschap is meer dan een mening

In deze tijd van ‘alternatieve feiten’ en waarheden van 140 tekens op Twitter lijkt de universiteit een laatste baken van objectieve kennis. Maar zo simpel ligt het niet. De mening dat ‘wetenschap ook maar een mening is’, wint terrein. Moeten wetenschappers zich meer laten horen in de strijd tegen fact free journalism of doen hun ‘mediamomentjes’ juist afbreuk aan de academische geloofwaardigheid? Een rondetafelgesprek over ‘media-valorisatie’.

Een grijzend ringbaardje en een vriendelijke glimlach. Ad Vingerhoets (1953) is hoogleraar Klinische Psychologie en wereldberoemd specialist op het gebied van huilen en bekend van zijn boeken over nostalgie en de Top 2000. Tegenover hem zit Frank Bosman (1978). Met zijn forse baard, snor, artistieke schoenen en iets openhangende bloes lijkt hij een hipster, maar bij de benaming ‘cultuurtheoloog’ voelt hij zich meer senang. Bosman doet onderzoek naar religie op onvermoede plekken, zoals in computergames, en wordt onder meer gebeld door de media als in een game een karakter zegt dat het woord vlees is geworden (om daarna iemand de hersens in te slaan). De derde deelnemer aan dit rondetafelgesprek is Hille van der Kaa (1979), hoofdredacteur van dagblad BN/De Stem en daarvoor onderzoekster (ze bestudeerde onder meer robotjournalistiek) aan Tilburg University. Gespreksleider is Clemens van Diek, hoofdredacteur van dit magazine.

Stelling 1: Wetenschappers moeten media-impact willen hebben.

Vingerhoets: “Ik onderzoek emoties en hou me onder meer bezig met de vraag waarom we huilen. Mijn werk is mijn passie. Ik word regelmatig gebeld door journalisten. Uit de hele wereld. Dat vind ik niet erg, want het hoort erbij en het is de verbinding die je als wetenschapper hebt met de maatschappij. Maar dat betekent niet dat ik mijn onderzoek afstem op de vraag of het direct maatschappelijk nut heeft of dat journalisten het interessant vinden. Ik ben erg voor fundamenteel onderzoek. Media-aandacht is slechts een afgeleide en geen doel om maatschappelijke impact te hebben.”

“Je moet als wetenschapper wel weten hoe de media werken.”

Hille van der Kaa

Bosman: “Impact hebben: ja. Vraag is: welke impact? De universiteit probeert zich als laatste te verzetten tegen het ‘utiliteitsdenken’. Alles moet direct nut hebben. Helaas zie ik de academische wereld schuiven. Ook in Tilburg wordt steeds meer gekeken of iets bruikbaar is voor de markt. Neem het toenemend aantal ‘bijzondere leerstoelen’, die betaald wor-den door maatschappelijke instanties of het bedrijfsleven. Ik ben bang voor een ‘u vraagt, wij draaien’-cultuur.”

Van der Kaa: “Het is goed om als wetenschapper met je onderzoek naar buiten te treden. Maar dan moet je wel begrijpen hoe de media werken. Voor een regionale krant is toegepaste kennis vaak interessanter dan fundamenteel onderzoek. Ik denk niet dat journalisten om die reden eerder met een ‘bijzonder hoogleraar’ bellen, maar ze zoeken wel iemand die het leuk vindt over zijn of haar onderzoek te vertellen. Als je het niet graag doet, of als je voor één antwoord een half uur nodig hebt en dan ook nog letterlijk geciteerd wilt worden, dan ben je voor journalisten niet aantrekkelijk.”

Picture of Ad Vingerhoets

“Media-aandacht is slechts een afgeleide en geen doel om maatschappelijke impact te hebben.”

Ad Vingerhoets

Stelling 2: Wetenschappers zijn bang voor journalisten.

Van der Kaa: “Wetenschappers lijken banger om iets tegen een journalist te zeggen dan vroeger. In onze regio speelde in juni de dreigende sluiting van Fort Oranje, de camping bij Rijsbergen die volgens de gemeente een criminele wijk was. Het regende ingezonden brieven, maar wij wilden graag een bestuurskundige en socioloog aan het woord. Er was op geen universiteit iemand te vinden die iets wilde zeggen! Dat verbaast mij.”

Bosman: “Veel academici lijden aan koudwatervrees en dat heeft vaak te maken met incidenten uit het verleden. Wetenschappers die zich verkeerd geciteerd voelen of die menen dat afspraken geschonden worden: als je dat overkomt, bepaalt dat voor lange tijd je houding ten opzichte van de media. Hoe dit anders kan? Het vraagt van beide kanten iets: wetenschappers moeten een mediatraining doen en journalisten dienen goed werk te leveren.”

Van der Kaa: “Over het algemeen valt er best te praten met journalisten. Mijn advies is om vooraf te zeggen dat je graag heel open wilt praten, maar wel op voorwaarde dat je daarna even mag meelezen. Het gros van de journalisten zal hiermee akkoord gaan.”

Bosman: “Dat doe ik inderdaad altijd. Soms heb ik spijt van iets wat ik wel degelijk heb gezegd. Het lukt me altijd om iets wat ik er niet in wil er uit te krijgen of te veranderen.”

Vingerhoets: “Nou, ik heb wel eens een tekst van een journalist aangepast en dat werd een gigantische rel! Waarover? Nee, laat maar...”

Stelling 3: Wetenschappers hebben een mening, maar wetenschap is niet ‘ook maar een mening’.

Vingerhoets: “Het gaat in de media nu veel over alternative facts. Dat zijn vaak dubieuze ‘feiten’ die niet door wetenschappelijk onderzoek worden gestaafd. De academische wereld moet vooral rustig blijven en uitleggen wat de stand van de wetenschap is. Helaas slaat de wetenschap de plank zelf ook wel eens mis met voorspellingen die niet uitkomen, wat voor het vertrouwen niet goed is. Het afgelopen jaar voerde ik een felle, inhoudelijke discussie met Israëlische collega’s die meenden dat er in tranen feromonen zitten. Ik beweer dat dit in geen enkel goed onderzoek is aangetoond. Dat is niet de ene mening tegenover de ander, maar de ene wetenschapper die zegt dat een collega er volkomen naast zit.”

Van der Kaa: “Dat kun jij wel zo zien, maar de gemiddelde burger denkt: ‘Hee, een fittie op de universiteit! Zie je wel, wetenschap is ook maar een mening!’ Ik denk trouwens dat alternative facts er altijd al zijn geweest, alleen komen ze nu makkelijker tot je. Vroeger had je als burger de pers nodig om impact te hebben, nu kan iedereen een Facebook-pagina beginnen en is in no time een zogenaamde specialist op een bepaald gebied. Dat zie ik bij ons in de regio gebeuren. Soms zijn die mensen daadwerkelijk heel deskundig, soms helemaal niet.”

Bosman: “Wetenschap is nooit waardevrij, maar dat is iets anders dan dat het ook maar een mening is. Het zijn visies op basis van kritisch onderzoek en een wetenschappelijke manier van denken die aan tal van voorwaarden moeten voldoen. Dat moeten we blijven herhalen in de media.”

Picture of Frank Bosman

“Ik heb veel last van eigen meningen. Een dag geen mening is voor mij een dag niet geleefd.”

Frank Bosman

Stelling 4: Je moet veel twitteren en facebooken.

Journalisten bellen graag met wetenschappers voor een snelle quote. Dat bewijst enerzijds dat de academische wereld nog steeds als bastion van betrouwbare kennis wordt gezien. Anderzijds kan zo het beeld ontstaan dat universiteiten ‘meningenfabriekjes’ zijn waar journalisten naar hartelust kunnen shoppen. Hoe ga je hiermee om?

Bosman: “Ik zie het probleem niet. Maar ik heb dan ook veel last van eigen meningen. Een dag geen mening is voor mij een dag niet geleefd. Als ik zie dat ik uit Hilversum gebeld word, neem ik altijd op. Ben ik in gesprek, dan vraag ik of ze me over een half uur kunnen terugbellen. En dat doen ze dan ook. Ik heb zo’n 150 mediamomenten per jaar, ben commentator bij een programma op Radio 1 en schrijf columns. Soms geef ik drie à vier interviews per week. Waarom? Omdat ik het leuk vind, maar ook omdat ik er mijn academische ei in kwijt kan. En het levert me een groot netwerk op, waardoor ik onder meer al eens aan een uitgever ben gekomen.”

Vingerhoets: “Een wetenschapper kan een mening hebben zoals iedereen. Maar zelf heb ik niet zo’n behoefte continu die mening ook te spuien. Dat is ook de reden dat ik geen Twitter- of Facebook-account heb. Sterker nog, ik heb niet eens een smartphone. Wie mij iets wil vragen, stuurt maar een email of kan me bellen op de vaste lijn.”

Van der Kaa: “Het is aan de wetenschapper zelf om wel of geen commentaar te geven. Realiseer je alleen de impact van social media. Iemand met veel volgers bereikt in drie seconden net zoveel mensen als ik met mijn krant.”

Stelling 5: Schoenmaker blijf bij je leest.

Vingerhoets: “In mijn vakgebied had je vroeger psychologen die in de media overal over meepraatten. Dat waren de zogenaamde allesweters. Zij werden door vakgenoten niet gewaardeerd. Het is helemaal niet slecht voor je wetenschappelijke reputatie als je veel in de media bent, zolang je over je eigen onderzoek praat! Laatst wilde De Telegraaf iets weten over mensen die boos zijn en op een boksbal los gaan. Ik heb daar best een mening over, maar iemand op de VU heeft daar specifiek onderzoek naar gedaan. Bel die man!”

Van der Kaa: “Ik vind dat je jezelf daarmee te kort doet. Wetenschappers zijn slimme mensen en hebben geleerd kritisch te zijn, denken over veel dingen na en kunnen dus ook over veel dingen een gefundeerde mening geven. Als je op een feestje ergens je mening over durft te geven, dan kun je die mening ook tegen een journalist vertellen.”

Bosman: “Ik zeg op mediaverzoeken altijd ja. Dus mogen ze me ook bellen over voetbal, want daar heb ik als theoloog zeker iets over te zeggen. Maar het vraagt wel enige voorzichtigheid, vooral in live discussieprogramma’s. Ik stel mezelf altijd de vraag: “Zou ik over dit onderwerp ook met mijn moeder, mijn decaan en met de paus durven praten?” Als twee van de drie een ja zijn, voel ik me veilig om vrijuit te praten.”

Gerelateerde artikelen